veelgemaakte fouten

veelgemaakte fouten

Woordenboek gebruik – blz 27 t/m 30

Je mag tijdens het examen bij verschillende vakken het woordenboek gebruiken. In een woordenboek vind je informatie over een woord, bijvoorbeeld over de betekenis, de schrijfwijze, de uitspraak, het meervoud, het geslacht of de betekenis van uitdrukkingen waarin het woord voorkomt.

Zo gebruik je een woordenboek:
  • Bepaal de basisvorm van het woord dat je zoekt, dat is het trefwoord. Bij werkwoorden ga je op zoek naar het hele werkwoord. Bij zelfstandig naamwoorden ga je op zoek naar het enkelvoud van het woord. Bijvoorbeeld: geïnspireerd vind je bij inspireren.
  • Zoek met behulp van gidswoorden (bovenaan de pagina) het trefwoord op.
  • Kies uit de omschrijvingen wat je nodig hebt.
Tussenletter(s) – blz 31
Soms heb je tussenletters nodig om een goede samenstelling te maken.
  • Je gebruikt de tussenletters -en- als jet eerste woord alleen een meervoud op -en- heeft. Bijvoorbeeld: docentenkamer, hondenmand
  • Let op: Je gebruikt de tussenletter -e- als er van het eerste woord maar één is. Bijvoorbeeld: zonnebank, maneschijn.
  • Je gebruikt de tussenletter -e- als het eerste woord twee meervouden heeft. Bijvoorbeeld: groentesoep, gemeentehuis.
  • Je gebruikt de tussenletter -e- als het eerste woord geen zelfstandig naamwoord is. Bijvoorbeeld: rodekool, stekeblind
  • De tussenletter -s- schrijf je als je hem hoort (en als hij in vergelijkbare woorden ook voorkomt) Bijvoorbeeld: personeelskamer (dus personeelsstop), verkeershinder (dus verkeersstroom, verkeersslachtoffer).
Homoniemen – blz 68

Sommige woorden hebben meerdere betekenissen. Een bank is bijvoorbeeld niet alleen een voorwerp waarop je kunt zitten, maar ook een gebouw waar mensen geldzaken regelen. Zulke woorden die meerdere betekenissen hebben, noem je homoniemen.

Pleonasme en tautologie – blz 145 t/m 148

Pleonasme en tautologie zijn stijlfiguren waarmee je woorden kunt versterken. Voorbeelden van pleonasme zijn: pasgeboren baby, witte sneeuw. Voorbeelden van tautologie zijn: eenzaam en verlaten, vast en zeker.

Zo herken je een pleonasme:
  • Een deel van de betekenis van een woord wordt herhaald.
  • Het bestaat meestal uit een bijvoeglijk naamwoord en een zelfstandig naamwoord.
  • Voorbeelden zijn: witte sneeuw (‘wit’ is een eigenschap van ‘sneeuw’ en maakt dus deel uit van de betekenis van sneeuw), iets opnieuw herhalen (‘opnieuw’ zit al besloten in de betekenis van herhalen), een verbetering ten goede (‘ten goede’ maakt deel uit van de betekenis van verbetering).
Zo herken je een tautologie:
  • De volledige betekenis van een woord wordt herhaald.
  • Voorbeelden zijn: maar…echter; daarom (is het) dan ook…; zoals bijvoorbeeld…. Soms wordt een tautologie bewust gebruikt als een stijlfiguur of in een vaste uitdrukking. Voorbeelden van zulke geaccepteerde tautologieën zijn: blij en gelukkig, nooit ofte nimmer, enkel en alleen.
Eufemisme, overdrijving en ironie – blz 187

Eufemisme is een verzachtende uitdrukking die niet spottend bedoeld is. Je wil voorkomen dat een mededeling hard of onaangenaam overkomt. Je kunt een eufemisme onder andere gebruiken om bepaalde zaken fraaier over te laten komen dan ze werkelijk zijn. Het is dus op een verzachtende manier of nette manier onder woorden brengen van iets wat niet zo prettig of netjes is.

Voorbeelden:
  • Na een lange lijdensweg ging hij heen (doodgaan)
  • Volgens mij is er aan jou een steekje los! (gek)
  • De directeur wil het personeelsbestand afslanken (personeel ontslaan)

Bij een overdrijving wordt de inhoud van de mededeling enorm vergroot. Omdat je dagelijks overdrijvingen gebruikt, merk je het speciale effect ervan niet meer.

Voorbeelden van overdrijvingen:
  • Tjonge, het duurt nog tot Kerst voor die minuut verstreken is.
  • Ik weet niet wat voor windkracht het vandaag is, maar ik denk wel windkracht 80.
  • Ik verveel me dood.
Ironie wordt vaak gebruikt om te laten merken dat je het ergens niet mee eens bent. Ironie is eigenlijk milde spot. Wie ironiseert, heeft echter nog niet de bedoeling bitter te zijn of mensen te kwetsen. Typisch voor veel ironische uitlatingen is, dat het tegengestelde gezegd wordt van hetgeen men bedoelt. Je merkt geregeld aan de ietwat overdreven toon, dat de spreker het niet ernstig, maar ironisch meent. Zo zou een leraar kunnen zeggen tegen een leerling die een slecht cijfer haar: ‘Je hebt je zaken wel goed geleerd, moet ik zeggen!’ Of tot een te laat komende leerling: ‘Je vindt het toch niet erg dat we al begonnen zijn?’

 

Voorbeelden:
  • Na een lange lijdensweg ging hij heen (doodgaan)
  • Volgens mij is er aan jou een steekje los! (gek)
  • De directeur wil het personeelsbestand afslanken (personeel ontslaan)